Indonesië

Informatie- en nieuwsforum over Indonesië en Nederlands-Indië
 
IndexKalenderFAQRegistrerenInloggen

Deel | 
 

 De oorlog die maar niet ophield

Ga naar beneden 
AuteurBericht
ElEl

avatar

Aantal berichten : 7998
Registratiedatum : 08-12-08

BerichtOnderwerp: De oorlog die maar niet ophield   di 14 aug 2018 - 13:47

De oorlog die maar niet ophield

’Kinderen van Indië’ vertellen verhaal


Door RICCI SCHELDWACHT

13-08-2018, 05:30 in BINNENLAND

Op 15 augustus 1945 eindigde de Tweede Wereldoorlog met de capitulatie van Japan. Daarmee stopte officieel ook de oorlog in Nederlands-Indië, toen nog een kolonie van al bevrijd Nederland. Aanstaande woensdag wordt bij het Indisch Monument in Den Haag, in 1988 door koningin Beatrix onthuld, voor de 30e keer stilgestaan bij de slachtoffers. In aanwezigheid van onder anderen minister-president Mark Rutte zullen ’kinderen van Indië’ Maud de Haas-De Bruin (82) en Charles de Wilde (90) kransen leggen.


De kleine Charles de Wilde samen met zijn vader hoog te paard, nadat ze uit Duitsland waren teruggekeerd naar Indië.

Maud de Haas-De Bruin en Charles de Wilde behoren tot de mensen die de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië hebben meegemaakt. Ze halen herinneringen op zodat die lange tijd ’vergeten’ geschiedenis wordt onthouden.

Maud: „Ik ben in geboren in Depok in West-Java en was zes jaar oud toen de oorlog uitbrak. Ik was met mijn ouders een avondwandeling aan het maken toen we soldaten van het KNIL tegenkwamen die op de vlucht waren. Niet lang daarna vielen de Japanners binnen. Ze vestigden hun hoofdkwartier in een school vlak naast mijn ouderlijk huis. Je wist wanneer daar mensen werden gemarteld. Dan hoorde je het geschreeuw. Als kind zag ik de vreselijkste dingen. Hoe dieven aan de betonnen poort voor de huizen werden vastgebonden en er dan sigarettenpeuken op hen werden uitgedrukt. Ik weet niet hoe ik dat ervaren heb. Je nam het maar gewoon in je op.”

Slaven
Depok is een klein plaatsje, dat aan het einde van de zeventiende eeuw door Cornelis Chastelein is gesticht. Nog tijdens zijn leven gaf hij zijn grond aan zijn elf slaven. De families van die slaven droegen het land van generatie op generatie aan elkaar over. „Mijn moeder komt ook uit zo’n familie: de familie Izakh.”

Tijdens de Japanse bezetting werd de Europese bevolking naar kampen afgevoerd. Ook veel Indo-Europeanen met gemengd bloed kwamen in het kamp terecht. Volgens Maud de Haas-De Bruin gebeurde dat interneren vaak naar willekeur. „Mijn vader, een gepensioneerde commies van het ministerie van Justitie, werd bijvoorbeeld niet geïnterneerd. Waarom weet ik niet, want mijn neven moesten wel naar het kamp. Een oudere zus uit het eerste huwelijk van mijn vader kwam met haar man en kind bij ons wonen. De man van mijn zus was een Hollander met blauwe ogen die er heel Europees uitzag, maar ook hij werd niet door de Japanners opgepakt. Na een tijdje heeft hij zichzelf aangegeven omdat hij zich verveelde. Al zijn vrienden zaten in het kamp.”

Vitaminegebrek
Het waren arme jaren. „We hadden op drie plekken in het dorp een sawa. Die stonden op naam van mijn moeder, want alleen Depokkers mochten land bezitten. Dankzij die sawa’s hadden we wat rijst, waarvan we een deel verkochten. Verder was er geen inkomen. Het pensioen van mijn vader werd niet betaald. Door vitaminegebrek leden we aan oedeem en beriberi. Ik had zweren op mijn benen.”

Mevrouw de Haas-De Bruin herinnert zich het einde van de oorlog: „Op een dag waren de Japanners in die school opeens weg. Toen er mensen uit het kamp terugkwamen in Depok wisten we dat het was afgelopen.”

Maar er kwam er geen einde aan het geweld. Op 17 augustus, twee dagen na het einde van de Tweede Wereldoorlog, riep Soekarno de onafhankelijkheid van Indonesië uit. De bersiap, waarin de Indonesische vrijheidsstrijders zich tegen de Nederlanders keerden, begon. Ook de Indische Nederlanders en Molukkers die in het KNIL hadden gediend waren hun leven niet zeker. Maud de Haas-De Bruin: „Wij zijn in huis overvallen door vrijheidsstrijders. Ik kreeg een houw met een kapmes. Ik raakte gewond aan mijn rug en viel neer. Ik was tien jaar oud. Ik heb me dood gehouden. Ze schopten me, maar ik gaf geen kik. Daarna kwamen ze terug om te kijken of ik wel echt dood was. Bij mijn vader hadden ze zijn pezen doorgesneden waardoor hij niet kon vluchten. Mijn vader riep dat ik moest gaan. Met mijn tante ben ik toen naar mijn oma gerend. Daarna zijn ze nog een keer teruggekomen en hebben ze mijn vader vermoord.”

Kampong
Maud bleef bij haar tante in de kampong. „Ik kwam pas in 1946 in de tweede klas van de lagere school. In die paar maanden voordat de oorlog uitbrak had ik nog wel leren lezen en schrijven.”

„In 1955 ben ik naar Nederland gekomen en had geen officiële papieren. Toen ik later trouwde moest ik eerst naar de kantonrechter. Mensen moesten getuigen dat ik echt Maud de Bruin ben. Het ergste van de oorlog vind ik dat ik nooit een goede opleiding heb kunnen doen, want zo’n achterstand haal je nooit meer in.”

Charles de Wilde, die woensdag met zijn dochter, kleindochter en kleinzoon een krans legt, is geboren in Tjepoe op Midden Java. Hij is zoon van een ingenieur. Omdat zijn vader in de crisis van 1933 een baan kon krijgen in Duitsland heeft hij daar zijn lagere school gevolgd. Tijdens het nazibewind van Hitler ging het gezin terug naar Indië. „Mijn vader ging werken bij het Mijnbouw Gouvernement. We werden gestationeerd bij de tinmijnen op Bangka.”

Mijnen
Toen de Japanners in de oorlog het land en alle bedrijven overnamen, werd zijn vader gedwongen bij de mijnen te blijven werken. „Om aan voldoende geld te komen, ging mijn moeder als vertaalster aan het werk. Ze droeg een band om haar arm met de Japanse vlag waarmee ze over straat kon. Hier in Nederland wordt dat als collaboratie gezien. Maar wat moet je anders?”

De vader en moeder van Charles kwamen uiteindelijk toch in het kamp terecht. „Mijn broertje en ik bleven eerst alleen achter. Ik was 14. We hebben kamers verhuurd van dat grote huis. Van het geld dat we verdienden kochten we eten. Voor een dubbeltje had je een tros bananen, voor een paar kwartjes een hele maaltijd.”

Ook de jongens kwamen via het vrouwenkamp waar hun moeder zat in het mannenkamp. „Ik herinner me dat het er heel streng was. Er werd veel gestraft. Soms werden er twintig gevangenen tegen elkaar opgesteld en dan moest je elkaar slaan. Een Japanse bewaker liep erachter en wie niet hard genoeg sloeg, kreeg een pak slaag van hem. Dat was afschuwelijk.”

„Ik heb daar ook nog meegewerkt aan een spoorlijn van Bandoeng naar Batavia. Wie daaraan meewerkte was dubbele rantsoenen voorgespiegeld. Maar die dubbele rantsoenen kwamen nooit. Ik heb ruim een maand in een spoorwegkamp gezeten, toen was er de capitulatie van Japan. Het heeft nog drie dagen geduurd voordat de bewakers het besluit namen om ermee op te houden. Ze wisten niet zo goed wat ze ermee aan moesten en zaten maar sigaretjes te roken buiten de poort.”

Bersiap
Charles de Wilde vertelt dat de oorlog in zijn gevoel daarna gewoon doorging toen de bersiap uitbrak. „Wij gingen naar Soerabaja. Daar hoorden we op de radio dat de bevolking geen eten meer aan Europeanen mocht verkopen. De sfeer werd grimmiger en grimmiger. Opgeschoten jongeren met bamboesperen gingen de huizen af om Europeanen op te zoeken. Mannen namen ze gevangen om ze af te tuigen. Mijn oom, mijn broer en ik werden naar de Werfstraatgevangenis gebracht. Daar hebben we een maand gezeten. We zijn net op tijd bevrijd, anders hadden we het niet overleefd.”

„De Europese vrouwen van Soerabaja werden gevangen en als gijzelaar naar het binnenland meegenomen. Daar waren mijn moeder en mijn grootmoeder bij. Mijn oma heeft dat niet overleefd. Toen wij vrijkwamen, ontdekten we dat onze vader in Batavia was. In 1946 zijn we naar Nederland gegaan. Zes maanden later werd mijn moeder vrijgelaten en kwam zij ook naar Nederland.”

Geen wrok
Charles voelt geen wrok tegen Indonesië. „In 1988 ben ik met mijn vrouw terug geweest. We zijn twee maanden gebleven en hebben alle plekken van vroeger gezien. Ik had een jaar lang Indonesische les gevolgd. En dat heeft zich uitbetaald, hoewel de oudere Indonesiërs die we ontmoetten maar al te graag Nederlands met ons wilden praten.”

„Onze buren in Nederland zeiden bij ons vertrek: ’Generen jullie je niet om daarheen te gaan?’ Dat meenden ze echt. Maar in Indonesië raakten de oudere mensen maar niet uitgepraat over Nederland. Ze waren zo aardig voor ons. Daar zijn ze veel aardiger voor ons dan men hier denkt.”

Telegraaf
Terug naar boven Ga naar beneden
http://www.tileng.nl
 
De oorlog die maar niet ophield
Terug naar boven 
Pagina 1 van 1
 Soortgelijke onderwerpen
-
» Expositie ‘Indië in oorlog - oorlog in Indië’ deel 2
» ‘De koloniale oorlog 1945-1949. Gewenst en ongewenst beeld’ - 26 nov. 2015 t/m 3 apr. 2016
» ’Meld je met foto’s koloniale oorlog in Indië’
» Indonesie - pijnpunten van een koloniale oorlog
» „Ik ben bezorgd over mijn oom”

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
Indonesië :: Berichten :: Algemeen-
Ga naar: