Indonesië

Informatie- en nieuwsforum over Indonesië en Nederlands-Indië
 
IndexKalenderFAQRegistrerenInloggen

Deel
 

 Monument voor de Indische concubine

Ga naar beneden 
AuteurBericht
ElEl

ElEl

Aantal berichten : 8018
Registratiedatum : 08-12-08

Monument voor de Indische concubine Empty
BerichtOnderwerp: Monument voor de Indische concubine   Monument voor de Indische concubine Icon_minitimedo 15 okt 2009 - 13:44

Monument voor de Indische concubine
door Lucia Hoogervorst
15/10/2009 - Eeuwenlang verbleef ze in de coulissen van het schouwtoneel der wereldgeschiedenis: de njai, de concubine van de Europese man in Indië.

Monument voor de Indische concubine 2yyxm5g

Met zijn boek De njai – het concubinaat in Nederlands-Indië zet Reggie Baay haar in de schijnwerpers. Hij heeft daarvoor een heel persoonlijke aanleiding: hij wist vrijwel niets over zijn eigen grootmoeder, ook een njai, zelfs geen naam. Na het overlijden van zijn vader dook er bij het opruimen van het ouderlijk huis een akte van erkenning op, waarin de ‘Inlandsche vrouw Moeinah, oud naar aanzien vijf en twintig jaren, zonder beroep … heeft verklaard in die erkenning toe te stemmen.’ Kort na de geboorte van hun zoontje werd Moeinah weggestuurd, terug naar de kampong, om plaats te maken voor een Europese vrouw. Dat was het lot van vele njais.

Met dit uitstekend geschreven boek geeft Baay een historisch overzicht dat teruggaat tot 1600, een overzicht dat tot nu toe ontbrak. Zodra de VOC voet aan wal zette op Java was ze er, de njai. De nederzettingen van de VOC waren mannensamenlevingen en om in hun vele behoeftes te voorzien zochten de mannen zich een vrouw, een huisslavin die bijvoorbeeld van Celebes of Bali kwam. De streng gelovige Jan Pieterszoon Coen, vierde gouverneur in Indië namens de VOC, moest niets hebben van die relaties met inlandse vrouwen en zag liever dat zijn mannen met Hollandse vrouwen omgingen. Daarom vaardigde hij in 1620 een verbod uit op een ‘bysit’ en liet degelijke weesmeisjes uit Holland overkomen naar ‘de Oost’. Maar die import kon bij lange na niet voldoen aan de grote vraag ter plekke. De bestuurselite was juist voorstander van gemengde huwelijken. Euraziatische vrouwen, geboren uit relaties tussen Europese mannen en Aziatische huisslavinnen, trouwden met hoge functionarissen en gingen zo tot de bovenlaag van de VOC-samenleving behoren. Door hun huwelijk kwamen zij terecht in een wereldje, waarin rijkdom en status, imposante villa’s, kostbare juwelen en een stoet aan bedienden standaard waren. Maar die vrouwen behoorden tot een kleine minderheid. Het grootste deel van de Europese populatie bestond uit lagere dienaren en soldaten. Zij konden zich geen huwelijk met een Europese of Euraziatische vrouw permitteren en moesten zich ‘behelpen’ met een Aziatische concubine. Met de afschaffing van de slavernij in 1861 was de njai geen huisslavin meer en werd zij werknemer. Maar ook met haar nieuwe status van huishoudster bleef het concubinaat wijd verspreid, zowel in de civiele wereld, als op de plantages en in de kazernes.

De njai uit de negentiende en twintigste eeuw was dikwijls een Javaanse vrouw, afkomstig uit een arm inheems gezin. Zij groeide op in een wereld waarin uithuwelijking en gehoorzaamheid aan ouders, mannelijke familieleden en echtgenoot bepalende elementen waren. De armoe was een economische drijfveer om te kiezen voor het concubinaat. Met de inkomsten kon ze haar familie financieel ondersteunen. Maar de keuze voor het bestaan als njai leidde ook vaak tot uitstoting, omdat het binnen de inheemse samenleving gelijk stond aan prostitutie en dat was een schande. Bovendien verraadde ze haar religie door te gaan samenwonen met een ‘kafir’, een christen. Haar relatie met een blanke Europeaan was ook geen makkelijke, want er liepen meerdere machtsverhoudingen door elkaar: die van blanke tegenover bruine, en die van werkgever tegenover werkneemster.

Voor- en tegenstanders van het concubinaat bestreden elkaar voortdurend, bijvoorbeeld over het kazerneconcubinaat. Met de instelling van een volwaardig koloniaal leger in 1830 kwamen er militairen naar Nederlands-Indië, ‘gezonde’ jongens die dikwijls voor zes jaar verblijf in ‘de Oost’ tekenden. Gelukkig boden veel kazernes de mogelijkheid om in concubinaat te leven. Oud-militair, politicus en schrijver Sicco Roorda van Eysinga vond die optie ‘door de overheid gesanctioneerde ontucht’. De oorzaak van geslachtsziektes werd de kazernenjai nogal eens ten laste gelegd. Maar het bleken vooral de vrijgezelle Europese militairen te zijn die na hun bezoek aan illegale prostituees syfilis naar de kazerne mee terugbrachten. Hooggeplaatsten, zoals de ‘Civielen- en Militairen Gouverneur van Atjeh en onderhorigheden’ prezen juist de voordelen van het concubinaat: militairen met een njai gedroegen zich dikwijls verantwoordelijker en dronken minder alcohol dan hun vrijgezelle collega’s.

Toch kwam er aan het eind van de negentiende eeuw een kentering in het gedogen. De Europese vrouw speelde hierin een grote rol. Na de opening van het Suezkanaal in 1867 was Indië binnen een maand per stoomschip te bereiken. Door ontwikkelingen in de tropische geneeskunde werd de kans op ziektes bovendien veel kleiner. Voor vrouwen en kinderen werd het daardoor aantrekkelijker zich bij echtgenoot en vader in ‘de Oost’ te voegen. Steeds meer bedrijven lieten bovendien het trouwverbod voor jonge, mannelijke werknemers los. Maar de Europese vrouwen namen wel hun eigen waarden en normen mee en hanteerden een strikte scheiding tussen blank en bruin in hun blanke, westerse gezinnen. De verhouding met het huispersoneel werd geformaliseerd. Ook buiten de deur had deze scheiding z’n weerslag: Nederlands-Indië werd in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw meer en meer een apartheidssamenleving, waarin Europeanen voor zichzelf een geheel eigen wereld creëerden, die veel meer leek op de wereld in Europa en de Verenigde Staten dan op de Aziatische wereld waarin men in feite verbleef. Met deze strikte scheiding moest de njai naar de achtergrond verdwijnen. Het bepaalt tot op heden ons beeld van de njai: we weten weinig van haar, voor ons is ze letterlijk en figuurlijk in de coulissen van de geschiedenis terechtgekomen.

Dat beeld corrigeert Baay in De njai – het concubinaat in Nederlands-Indië. Een prestatie van formaat, zeker wanneer je beseft dat hij geen primaire bronnen voor handen had. De njai is afkomstig uit een orale cultuur en er is dus zelfs geen snippertje papier van haarzelf voor de geschiedenis bewaard gebleven. Met behulp van secundaire literatuur, literatuurfragmenten, dagboeken, interviews, brieven, krantenberichten en - advertenties weet Baay - neerlandicus en gespecialiseerd in koloniale en postkoloniale literatuur - persoonlijke, cultuur-historische en maatschappelijke invalshoeken tot een rijkgeschakeerd portret van de njai te vervlechten.

En was het bestaan van de njai altijd zo droef als dat van Baays grootmoeder? Nee, zeker niet. Er waren ook mannen die tegen de heersende moraal in samen met hun inheemse partner een eigen weg durfden te gaan. De portretten van bijvoorbeeld Katijem, Sarina en Djoemiha maken dat zonder meer duidelijk: wederzijdse liefde en respect en oog voor de kinderen, daarvan was gelukkig ook vaak sprake.

Reggie Baay, De njai – het concubinaat in Nederlands-Indië
Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2008, 302 pagina’s
ISBN 978 90 253 6686 5

Geschiedenis.nl
Terug naar boven Ga naar beneden
http://www.tileng.nl
ElEl

ElEl

Aantal berichten : 8018
Registratiedatum : 08-12-08

Monument voor de Indische concubine Empty
BerichtOnderwerp: Re: Monument voor de Indische concubine   Monument voor de Indische concubine Icon_minitimewo 18 aug 2010 - 16:21

Indonesia: 'The Nyai Nation'
Julia Suryakusuma, CONTRIBUTOR, JAKARTA | Sun, 08/08/2010 1:07 PM | Bookmark
A | A | A |
"History is written by the victors," Winston Churchill once said. I'm sure he wasn't thinking of the war of the sexes, but in our patriarchal world the past is usually written as HIS-story, with women given marginal roles.

Things are changing, as Reggie Baay's book Nyai dan Pergundikan di Hindia Belanda (Nyai and Concubinage in the Dutch East Indies) shows. Women are smack-bang at the center of Baay's work, making him one of a growing number of scholars who have used gender in the past three decades as a primary category in contemporary colonial studies.

Interestingly, Baay, a Dutch author, did so not because he was a historian, but for personal reasons: He discovered he was descended from a nyai.

The meaning of the word nyai is contextual. Originally it was just an appellation for a woman, married or unmarried, and it can still be used that way. In Islamic boarding schools, nyai means "female religious teachers", the counterpart to the kiai (male religious teacher or intellectual). In the context of the Dutch East Indies, however, nyai referred to the concubine-cum-servants/slaves of male Dutch colonialists.

Until the late colonial period, Dutch men usually came to the Indies without wives. So what to do with their basic human needs? I am referring not just to obvious sexual needs (which could be served by a prostitute), but also to a need for the huisvrouwon who married men relied in the Netherlands.

The solution was nyai concubinage, and it became part and parcel of the colonial system. In the industrial West, capitalism would have collapsed without the "housewifization" of women to do unpaid reproductive work: Cooking, cleaning, tending to the needs of their worker husbands and bringing up the next generation of the capitalist workforce.

Similarly, Dutch colonialism in the East Indies would have been impossible without the nyai concubinage system that existed in the VOC, the military barracks and the plantations that the Dutch set up for the purposes of their exploitative colonial enterprise, as this book describes in detail.

Colonialism involved the patriarchal capitalist's search for new pastures to provide the raw material and the labor the West lacked. The fecundity of the East Indies was an obvious draw and its abundance of natural resources made it a joy to plunder. Native women were part of that, and there was no shortage of takers among a mass of poverty-stricken natives.

Serving and servicing despised colonizers was sometimes the only way to survive - and it provided economic benefits, even upward social mobility. Nyais came to play an important role as a mediator between Dutch masters, dislocated from their homeland, their families and culture, and pribumi (native) culture, family and village.

Baay describes the unequal nature of this relationship, and how class was superimposed on an elaborate hierarchy of race and gender. Nyais were described in derogatory terms. They were racially inferior (like all the natives), lazy, animal-like, lustful.

At the same time, however, they were seen as loyal, calm, serving companions, willing to suffer: uncomplaining, passive victims. This ambivalence was reflected in the laws and policies of the colonial government. Nyais were a necessary evil, and considerations of profit outweighed "moral" ones (not that colonialism was moral in the first place).

Baay's book provides an engaging account of the complex world of colonial society, its merging and clashing of cultures (with nyais often trapped in the middle), the use and abuse of women, the demographic history of the Dutch in the East Indies, the evolution of the Eurasian community, how the Dutch adapted to life in the colonies, and the fate of their mixed-blood offspring.

Sometimes Eurasian children were recognized, and even sent to the Netherlands for education. In the (rare) cases when a Dutchman married his nyai, she might also be taken "home" as well. The rest remained in the East Indies. Some were provided for, but most were left behind to a very uncertain fate, as Baay shows.

Academic historians will be disappointed that Baay resorted to novels about nyais and life in the colonies, rather than historical documents. The simple reason is, of course, that there are not that many documents available: HIS-story, remember? Profiles of the nyais at the end of the book make up for it, however. This is fascinating reading, bringing to life stories of pain, suffering, discoveries, wins and losses and, sometimes, love.

And the nyai syndrome still survives.

In New Order Indonesia, the government created nyai-like institutions: Dharma Wanita (the civil servants wives association) and the PKK (Family Welfare Movement), which idealized dependency and obedience, and saw women as appendages to their husbands.

Likewise, the state has relied greatly on revenue generated by women domestic migrant workers (TKW) since the early 1990s, offering them little legal protection.

Trafficking, even of children, is also on the rise. As in colonial times, poor women are still dispensable commodities, available for exploitation.

In fact, the nyai can be seen in a wider sense as a metaphor for the "feminine" Indonesian people, subjugated by "masculine" colonizing rulers. On this analysis, we were in fact colonized by our own governments after "independence" in 1945.

The essentially colonial mentality of subservience perpetuated by the New Order continues today.

Of course hardliner Muslims argue that the way to resist such economic, political and cultural imperialism is to adopt "traditional" Islamic ways and garb. The result of that would, however, be just another form of colonization - this time by Arab cultures - with, once again, little benefit for Indonesian women.

So Meneer Baay, I've got news for you. You're not the only one descended from nyais. The whole of Indonesia is still a nyai nation!

Nyai dan Pergundikan di Hindia Belanda (Nyai and Concubinage in The Dutch East Indies, translated from the Dutch "De njai : het concubinaat in Nederlands-Indi*)

Author: Reggie Baay

Publisher: Komunitas Bambu (June 6, 2010), Jakarta

Pages: 320
The Jakarta Post
Terug naar boven Ga naar beneden
http://www.tileng.nl
 
Monument voor de Indische concubine
Terug naar boven 
Pagina 1 van 1

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
Indonesië :: Berichten :: Boekbesprekingen-
Ga naar: