Indonesië

Informatie- en nieuwsforum over Indonesië en Nederlands-Indië
 
IndexKalenderFAQRegistrerenInloggen

Deel | 
 

 "Waarom de krokodillen in vijandschap met de mensen leven"

Ga naar beneden 
AuteurBericht
wu

avatar

Aantal berichten : 6613
Registratiedatum : 08-12-08

BerichtOnderwerp: "Waarom de krokodillen in vijandschap met de mensen leven"   ma 2 maa 2009 - 12:47

Waarom de krokodillen in vijandschap met de menschen leven

Aan den Noordoostelijken voet van het Tenggergebergte ligt het meer van Grati, het zoogenaamde krokodillenmeer.

Dit meer heeft dezen naam te danken aan de krokodillen, die eeuwen geleden op een zeer geheimzinnige wijze, plotseling in het meer verschenen om weer even geheimzinnig daaruit te verdwijnen en hun plaats af te staan aan den ikan lèlèh of meerval. Deze meervallen waren eigenlijk de oorzaak dat de krokodillen de vijanden der menschen werden. En hoe dit nu gebeurde, vertelt de volgende sage:

Eeuwen geleden, toen de dessahlieden nog braaf en eenvoudig waren, leefde in het meer van Grati een krokodillensoort, dat met de bevolking uit die streek op goeden voet stond.

Het oudste krokodillenpaar, Kjai en Njai Boeaja heetten zij, waren de bet-bet-over-overgrootouders van het jongste krokodillengeslacht. En omdat nu Kjai en Njai Boeaja al heel, heel oud waren, hadden de Goden hun de macht gegeven om, als de duisternis inviel, een menschelijke gestalte aan te nemen, doch zoodra de dag aanbrak werden zij weer krokodillen.

Nu bezaten Kjai en Njai Boeaja een gamelan, die veilig was opgeborgen in hun woning op den bodem van het meer. Deze gamelan werd nu vaak door de dessahlieden, wanneer een bruiloft of een besnijdenis of een oogstfeest werd gevierd, ter leen gevraagd. Ten einde het krokodillenpaar gunstig te stemmen zonden dan zij, die een feest wilden vieren, een vlot waarop wierook brandde en bovendien nog een eend of een kip lag naar de plek waar Kjai en Njai Boeaja iederen dag boven water kwamen, en men riep, zoodra men hen zag: "Kjai en Njai Boeaja, mijn dochter gaat trouwen", of "We geven een oogstfeest, onze padi is rijp! Mogen we uw gamelan leenen? En ge komt toch óók op het feest?"

Zoodra men dit had geroepen verdwenen de twee krokodillen weer in de diepte, en nu duurde het niet lang of het vlot kwam, met den gamelan er op, weer naar den oever.

En als op den avond van het feest de welluidende tonen van den gamelan over het meertje klonken, dan verschenen kort vóór middernacht Kjai en Njai Boeaja in hun menschelijke gestalten en zij vierden even vroolijk als de menschen het feest mee dat gegeven werd. Ze bleven dan meestal tot een uur vóór zonsopgang, want zoo ze langer bleven, vreesden ze de menschen te verschrikken, daar zij met zonsopgang weer een paar reusachtige krokodillen werden.

Zoo bestond nu reeds vele jaren de vriendschap tusschen Kjai en Njai Boeaja en de dessahlieden, en zoo werd bij het ter leen vragen van hun gamelan menige eend of kip, of soms een wild zwijn of hert op het vlot gezet. Dit alles maakte dat de krokodillen zich al meer en meer aan de menschen hechtten.

't Veranderde echter toen er op zekeren dag een vrouw, Lèlèh genaamd, zich in de dichtbij het meer gelegen dessah Dawi kwam vestigen.

Lèlèh was een booze vrouw. Men zei, ze was een heks, die, om haar rapals (tooverspreuken) en het aanroepen van booze geesten uit de dessah waar ze geboren was, was verbannen. Ook zei men dat ze de ngelmoe gadongan (machtspreuk om zich in een tijger te veranderen) kende, doch dit laatste was niet zoo. Wel was ze boos en slecht en heel diefachtig. Ze stal de kippen en de eieren der dessahlieden, en ze verjoeg de meliwis (soort wilde eend) die aan den oever van het meer hun eieren kwamen leggen. En wat het ergste van alles was, ze plaagde de krokodillen. Ja, ze werd op een dag zelfs zóó vermetel, om Kjai en Njai Boeaja te plagen door een vette eend een touwtje om haar rechterpoot te binden, daarna het dier op een vlot te zetten en heel hard te roepen: "Kjai en Njai Boeaja, hier breng ik jullie een heerlijk maal. Komt maar boven water, 't ligt voor jullie op het vlot gereed!"

Doch nauwelijks kwamen de twee groote koppen van het krokodillenpaar boven de oppervlakte van het meer en keken zij met hun schrandere oogjes naar het vlot, of de booze Lèlèh trok bij het touwtje de eend weer van het vlot op den oever en riep plagend: "Kjai en Njai Boeaja, dat lekkere hapje lust ik zelf ook wel! Zoekt maar wat anders, oudjes!" En daarna maakte zij een vuurtje, braadde daarop de eend en at ze tot het laatste boutje op.

Toen dit reeds meermalen was gebeurd, begon dit gesar het krokodillenechtpaar te vervelen. Ze zeiden er echter niets van, nòch aan Lèlèh zelf, nòch aan de dessahlieden, doch ze besloten de booze vrouw eens flink te straffen. En toen nu op een dag weer Lèlèh een eend op het vlot zette en tot Kjai en Njai Boeaja riep: "Hier breng ik nu toch echt een heerlijk hapje, oudjes!" toen riep Kjai Boeaja: "Breng het vlot hierheen, Lèlèh, mijn vrouw is ziek, ik moet bij haar blijven".

Lèlèh duwde nu het vlot een eindje verder, doch trok meteen de eend er af. En nauwelijks had ze dit gedaan of van alle kanten schoten de krokodillen op haar af en, voorafgegaan door Kjai Boeaja, sleepten zij haar naar de diepte en lieten haar zinken, totdat zij op den bodem kwam. Daar veranderde Kjai Boeaja haar dadelijk in een visch, dien hij ikan (visch) Lèlèh noemde. Hij beval haar nu vooral goed te passen op zijn achter-achter-kleinkinderen, de jonge krokodillen. En toen nu Lèlèh dit niet wilde doen, beten alle krokodillen haar zóó vreeselijk, dat haar vinnen week werden (vandaar ook dat de meerval een weekvinnige visch is). En nimmer zou Lèlèh weer het meer mogen verlaten. Dit ging ook niet, want haar talrijk nageslacht stopte háár, hun oude stammoeder, in een donkere spleet. Al meer en meer werd nu het meer van Grati door Lèlèh's nakomelingen bevolkt. Deze visschen speelden nu ook weldra den baas over de krokodillen. En toen Kjai en Njai Boeaja daar zelfs onder leden, riepen zij de hulp der dessahlieden in.

Dag en nacht vischten nu de mannen uit de dessah naar de booze meervallen, en ze vingen ze bij massa's. Hoe meer ze echter vingen, hoe talrijker de visschen in het meertje werden.

Kjai en Njai Boeaja dachten nu dat de dessahlieden met de visschen samenspanden en ze niet opaten, doch na het vangen weer in het meer terugwierpen. Zij en ook de andere krokodillen werden daarover zeer boos op alle menschen. Ze werden zóó boos dat ze hen allen eeuwige vijandschap zwoeren. Kjai Boeaja zei zelfs, dat hij ieder mensch, die hij voortaan op zijn weg zou ontmoeten, wilde verslinden. En op een dag, toen het water in het meer hooger was dan gewoonlijk, verlieten Kjai en Njai Boeaja, met alle andere krokodillen, de plek waar zij, vóór Lèlèh's komst, zoo gelukkig en tevreden hadden gewoond. Ze verlieten het meer zóó geheimzinnig dat geen der dessahlieden het had bemerkt. Ze hadden dit gedaan omdat ze voortaan in vijandschap met alle menschen wilden leven.


uit: Javaansche sagen mythen en legenden
verzameld door Jos. Meijboom-Italiaander
1924
Terug naar boven Ga naar beneden
http://indonesie.actieforum.com
LL
Admin
avatar

Aantal berichten : 1007
Registratiedatum : 07-12-08

BerichtOnderwerp: Re: "Waarom de krokodillen in vijandschap met de mensen leven"   ma 2 maa 2009 - 15:47

Ik heb weer genoten van je verhaal!
duimenop

_________________
www.tileng.nl
Terug naar boven Ga naar beneden
http://www.tileng.nl
 
"Waarom de krokodillen in vijandschap met de mensen leven"
Terug naar boven 
Pagina 1 van 1

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
Indonesië :: Diversen :: Verhalen-
Ga naar: