Indonesië

Informatie- en nieuwsforum over Indonesië en Nederlands-Indië
 
IndexKalenderFAQRegistrerenInloggen

Deel | 
 

 ‘Mijn man had oorlogstrauma’s’

Go down 
AuteurBericht
ElEl

avatar

Aantal berichten : 7676
Registratiedatum : 08-12-08

BerichtOnderwerp: ‘Mijn man had oorlogstrauma’s’   do 6 feb 2014 - 23:36


‘Mijn man had oorlogstrauma’s’

Written by Kirsten Ronda
Posted on Feb 6, 2014


“Hij had heel vaak nachtmerries. Dan sloeg hij wild om zich heen. Soms ging mijn lip kapot.” Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog vocht Jopie Matulessy voor de Nederlanders. Na afloop werd hij met twaalfduizend andere Molukkers naar Nederland gehaald. “Met kerst en oud en nieuw huilde hij omdat hij zijn familie miste”, vertelt zijn vrouw Anneke.


“Hij praatte nooit over de oorlog. Ook niet over zijn familie. Zijn vader, broer en twee zussen woonden nog op Ambon. Maar hij stopte alles diep weg.” Anneke Matulessy is nu 79 jaar. Als Nederlandse trouwde ze in 1954 met een Molukse militair, die afgelopen juni is overleden. “Als er op televisie beelden werden getoond van de onafhankelijkheidsoorlog, zeiden mijn kinderen en ik tegen elkaar: ‘Zou papa ook mensen hebben vermoord?’ Maar we weten het niet.”


Vooral toen Jopie, die eigenlijk Jacob heet, dement werd, kwamen de oorlogservaringen boven. “Eén keer probeerde hij zijn matras uit het raam te duwen en mijn dochter te slaan toen ze hem wilde tegenhouden. Hij keek me aan met zo’n wilde blik in zijn ogen, dat ik dacht: ik moet hier gauw weg, straks doet hij me iets aan.” Na deze aanvaring moest hij naar een verpleeghuis. “Hij was heel bang en paranoïde. Hij controleerde ook elke avond of alle deuren op slot waren.” Soldaten hadden vroeger namelijk kamerwacht, wat betekende dat ze alle deuren in de kazerne moesten afsluiten. Volgens de artsen was zowel zijn agressie als de angst tijdens de dementie een gevolg van onverwerkte oorlogstrauma’s.


Koude barakken

Toen Nederland de onafhankelijkheidsoorlog verloor, was het voor de soldaten die voor haar hadden gevochten te gevaarlijk in Indonesië. In 1951 werden twaalfduizend Molukkers daarom naar Nederland getransporteerd. Daar werden ze in barakken opgevangen: een ‘tijdelijke’ oplossing. Jopie en Anneke hebben er zeven jaar gewoond. “Er was helemaal geen begeleiding. De Molukkers kregen geen taalcursus of psychische hulp. Ze moesten zichzelf maar redden. Daarom heeft de eerste generatie nooit echt onze taal kunnen beheersen. Nu wordt er voor asielzoekers wel veel georganiseerd, maar dat gebeurde toen niet. Daar ben ik heel boos over geweest.”


Een barak was een groot, houten gebouw met meerdere kamers. De muren waren dun, waardoor je de buren altijd kon horen. “Het was ’s nachts in de winter erg koud”, vertelt Anneke. “De handjes van ons eerste kindje werden blauw. Mijn man zei toen: ‘Neem haar maar mee in bed, want straks bevriest ze.’ Tijdens een nachtmerrie beet hij hard in haar wang. De volgende ochtend moesten we met haar naar de dokter.”


Moeilijk rondkomen

Anneke noemt de kamer in de barak een blokkendoos. “Er was een tweepersoonsopklapbed. We moesten de stoelen op tafel zetten als we het bed wilden gebruiken, anders was er geen ruimte. Er waren gemeenschappelijke wc’s en om te douchen en af te wassen moesten we naar een andere barak.” Toch vond Anneke het helemaal niet erg om er te wonen. “Op de boerderij thuis hadden we helemaal geen douche en porseleinen wc, maar een teil en een ton, dus ik ging erop vooruit. En dat we met zoveel mensen bij elkaar woonden, vond ik erg gezellig.”


Die voorzieningen waren niet gratis. Jopie werkte in een fabriek van Philips en moest 60 procent van zijn inkomen afstaan aan de overheid. Van de overige 40 procent moest eten, kleren en dergelijke worden gekocht. “Dat was bepaald geen vetpot.” Het stel kreeg uiteindelijk zes kinderen. Anneke was schoonmaakster, Jopie werkte zijn hele leven in fabrieken. “Mensen zeggen vaak dat buitenlanders lui zijn en niks willen doen. Nou, mijn man was een harde werker!” Toen duidelijk werd dat de Molukkers lang zouden blijven, werden er wijken voor hen gebouwd. Na zeven jaar in de barak verhuisde het gezin naar een Molukse wijk in het Groningse dorp Hoogkerk.


Treinkapingen

De Molukkers zouden na drie maanden terug mogen naar Indonesië. Drie maanden werden zes maanden. Toen drie jaar. En uiteindelijk liet de Indonesische overheid ze pas na vijfentwintig jaar weer toe. Anneke: “In veel gezinnen werd gezegd: ‘Wij hebben ons leven voor Nederland gegeven en krijgen er niets voor terug.’ Dat werd de jeugd met de paplepel ingegoten. Niet bij mij thuis, trouwens. Mijn man vond het fijn om in Nederland te wonen. Hij had mij daardoor ontmoet en hij wist dat de mensen in zijn dorp veel armer waren. Nu kon hij tenminste geld naar huis sturen.” Doordat hij een Nederlandse vrouw had, was het voor hem bovendien makkelijker om te integreren. “Hij had ook Nederlandse vrienden.”


Wanneer Anneke begint te vertellen over de treinkaping door Molukse jongeren in 1977, veegt ze een traan weg. “Sorry, ik word er gewoon emotioneel van.” Ze kent familie van de kapers. “De dochter van een kennis had een relatie met een van de kapers. Ze was verliefd en wilde drie weken voor hem koken. Ze werd een terroriste genoemd en haar hele schaamstreek was kapotgeschoten. Bij een andere jongen mochten we de kist niet openen, omdat zijn benen weg waren. En de regering zei dat ze niet met opzet hadden gedood. Wat een leugen!” Pas in 2013 werd de inhoud van een geheim rapport bekendgemaakt: de kapers waren met opzet door extreem geweld omgebracht. Maar de Molukse gemeenschap wist dat al.


Witte mama

“Ik had als kind nog nooit iemand met een donkere huid gezien. Toen de Molukkers er net waren en ik met een vriendin ging wandelen, zeiden haar ouders: ‘Ga niet die kant op, want daar zitten de Ambonezen en die zijn gevaarlijk. Ze steken met messen.’ Nou, je weet hoe kinderen zijn! Wij gingen dus die kant op en raakten aan de praat met een groep jongens.” Om het contact tussen de Molukkers en de Nederlanders te verbeteren, werden er Ambonavonden georganiseerd. Er werd gevoetbald en er was muziek. Op zo’n avond heeft Anneke haar man ontmoet. “Hij had een leuk, lief koppie en speelde in de band. Hij stapte op mij af, waarschijnlijk had hij me wel zien kijken”, lacht ze.

“We spraken vaker af en mijn familie accepteerde hem meteen. Als ik langskwam, fietste hij altijd mee naar huis, wel drie kwartier. Galant, hè?” Zij was toen zestien, hij was haar eerste vriend. Na vier jaar trouwden ze. “Mijn kinderen hadden het er soms moeilijk mee. Mijn zoon vroeg bijvoorbeeld op de kleuterschool: ‘Mama, waarom ben je niet bruin, zoals die andere moeders?’ De Molukkers zeiden tegen mijn kinderen dat ze Nederlands waren en Nederlanders dat ze Moluks waren. Mijn zoon heeft daarom in zijn tienerjaren in een identiteitscrisis gezeten. Hij had zelfs zelfmoordneigingen. Gelukkig is dat helemaal goed gekomen.” Zelf voelde ze zich helemaal thuis in de Molukse wijk. “Molukkers zeggen dat ik meer Moluks ben dan Nederlands, haha. Maar ik blijf ook altijd een echte Friezin.”



journalistiekzwolle.nl
Terug naar boven Go down
http://www.tileng.nl
 
‘Mijn man had oorlogstrauma’s’
Terug naar boven 
Pagina 1 van 1
 Soortgelijke onderwerpen
-
» Mijn "verloren" Indische vrienden uit Surabaya
» Mijn vader uit Semarang - Yap Kioe Bing
» „Ik ben bezorgd over mijn oom”
» De laatste dagen van mijn Hollandse jeugd.
» Mijn durian hij stink niet - van Roy Piette

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
Indonesië :: Diversen :: Verhalen-
Ga naar: